Hoofdstuk 4

destillatie Eau de Vie In de 17de en 18de eeuw kwam een invasie van brandewijn, het levend water voor de Fransen (eau-de-vie). De beste bieren haalden maximum 9% alcoholgehalte, wijn maximum 14%, maar brandewijn en jenever kon tot 40% en meer. Een borrel was klein, goedkoper dan een pot bier, en het effect was sneller en groter. Toch had dit maar een gering effect op de bierconsumptie in de Zuidelijke Nederlanden. De opkomst van de koloniale dranken zoals chocolade, koffie en thee verdrongen in onze streken ook niet de volkse drank die het bier was. Koffiehuizen waren toen nogal elitair en daar had de wijnconsumptie meer last van. Bij onze Noorderburen, Duitsland en Oostenrijk slonk ook de bierconsumptie. In onze streken was bier meer dan ooit de voeding van het volk. Koffiehuis Terecht beschreven tijdsgenoten bier als vloeibaar brood. Zelfs in crisisjaren, waar de graanoogst verslapte, bleef men brouwen al produceerde men dan wel minderwaardig bier. De brouwers namen zelfs hun toevlucht tot minder geschikte brouwgranen, tot boekweit toe. Maar crisissen gaan voorbij, en halfweg de 18de eeuw had ieder dorp in Vlaanderen minstens één brouwerij. Elke parochie had zijn kermis, één dag of meerdere, soms twee per jaar. Daarnaast kon men zijn dranklust bot vieren op allerlei familiefeesten, bruiloften, jubilea, dopen en begrafenissen. Het gezuip ging door op allerlei jaarfeesten van verenigingen, gilden, broederschappen en ambachten. Het stond in de statuten geschreven dat er moest geklonken worden op elke nagedachtenis van een afgestorven lid. Een goeie gewoonte verandert men zo maar niet?

Eigenaardig genoeg ging het brouwersambacht in Oudenaarde zo sterk achteruit dat in 1776 er voor de hele stad slechts twee officiële brouwers overbleven. Philippe Vilet en Louis Hamelynck. Toch had Oudenaarde ook zijn feestjes, en illegaal bier smaakt ook goed. De familie Vilet was dé brouwersfamilie van Oudenaarde. Niet minder dan vijf generaties brouwers waren gedurende de 17cte en 18de eeuw actief. De Vilets waren elk op hun beurt deken van het brouwersambacht Philippe Vilet, kleinzoon van bovengenoemde Philippe Vilet, stond aan het hoofd van brouwerij De Arend in de 18cte eeuw. Deze brouwerij was onder zijn leiding de grootste bierproducent van de stad. Brouwerij De Arend was gelegen in de Krekelput. In 1784 nam Jacques Liefmans de roervork over van Philippe, zijn schoonvader. En tegen het einde van de 18de eeuw waren er alweer meer dan zes brouwers actief in de stad.